Gapers symbool der Drogisten

De gaper is een van de merk­waardigste uithangtekens die er ooit hebben bestaan. Zoals met alle uithangtekens het geval is, symboliseren ook de gapers overduidelijk het beroep dat achter de gevel waaraan zij prijken, wordt uitgeoefend. De lijkbleke of koorts­rode zieke die gaapt om medicijnen in te nemen of z'n tong eens deskundig te laten bekijken, en daarbij lacht als een boer die kiespijn heeft, zou dus het symbool van dokter of apotheker moeten zijn. Dat klopt. De apotheker had in de middeleeuwen inderdaad een gaper aan zijn huis, maar ook de drogist, de man die drogerijen (verse en gedroogde kruiden) verkocht en als grossier aan de apotheker leverde, draaide pillen en mengde drankjes en sierde dus eveneens zijn kozijn of luifel, terecht, met een gaper.


















 









Het bereiden van artsenijen was vroeger niet, zoals thans, voorbehouden aan apothekers en aan de pharmaceutische industrie. Er is zelfs een tijd geweest, dat apothekers en drogisten broederlijk in één gilde zaten. Bij de drogist kon men intussen, behalve hoestdrankjes en allerlei huismiddeltjes, ook koffie en thee bestellen. Maar ja, er waren in de mid­deleeuwen ook chirurgijns, die pruiken maakten en er leefden barbiers, die aderlating toepasten, hèt geneesmiddel in vroeger dagen. Pas midden zeventiende eeuw stichtten de apothekers hun eigen gilde. Om zich nu van de lang niet zo deftige drogist te onderscheiden, hing de apotheker vanaf dat tijdstip, behalve de gaper, een vijzel uit, terwijl de drogist de gedroogde snuit van een zaagvis, een hertshoorn en een ris slaapbollen (papaverzaad) als speciaal embleem gebruikte. Het papaverzaad werd nog tot in onze eeuw als "dotje" door domme moeders gekocht om hun huilende kindertjes in slaap te sussen.'
Behalve apothekers en drogisten mocht nog een derde figuur zich van de gaper als symbool bedienen, namelijk de "chemist" of alchemist, de man die chemicaliën bereidde. Hij zette er, ter onderscheiding van de anderen, een salaman­der bij, vanouds het teken van de arts.

Algemeen heerst de veronderstelling, o.a. door de historieschrijvers mr. J. van Lennep en J. ter Gouw verdedigd, dat gapers een beeld van de geachte clièntele van drogisten, apothekers en chemisten bedoelden te zijn. Er bestaan echter ook andere lezingen. Het feit bijv, dat de gaperstronies vaak de lachlust opwekken, zou er op wijzen, dat zij als narren funotioneerden, om de mensen naar binnen te lokken. De klanten werden nl. niet slechts door hun kwalen naar de apotheker gedreven, maar ook wel om er gezellig een likeurtje of kruidenwijntje te gaan drinken.

 

Een andere opvatting is, dat de gaper het knechtje van een rond­reizende kwakzalver voorstelt, die
zich ten aanschouwe van boeren, burgers en buitenlui kwasi een kies moest laten trekken. De kwakzalvers die zich tenslotte voorgoed in de een of andere plaats gIngen vestigen, zouden dit (nagebootste) knechtje als uithangteken voor hun huis hebben geplaatst, soms in gezelschap van een vlooiende aap. De aap reisde immers trouw met de kwakzalvers mee, ter opluistering van diens praktijk.

 

 

 

 

Tenslotte beschouwen sommigen de gaper als een afbeelding van een drogist uit de veertiende eeuw, die in Gouda woonde en "Gaper" heette. De heer Gaper was zo beroemd om zijn kruiden, dat zijn opvolger een beeldhouwer ontbood om een kop van hem te maken, waarmee hij de gevel versierde. Vandaar wellicht de spotnaam "Goudsche Gapers" en het rijmpje:

Gij gaapt na mij, ik gaap op u.
Schoon dat mijn wezen heeft een gruw,
'k Ben, als gij zien kunt, zo geschapen,
Gelijk de Gouw'naars, die staäg gapen,

Hoe het zij, de gapers zijn tenslotte slechts de drogisten en een enkele apotheker trouw gebleven. De salamander van de alchemist is naar de voorruit van de dokters-auto verhuisd en sommige apothekers pronken nog slechts met de vijzel. De gaper komt men hier en daar nog tegen aan de pui van een drogisterij, zo prijkt er in de Boekhorststraat in Den Haag één met een pijp drop in de mond. Vele drogisten hebben echter hun gapers naar beneden gehaald, omdat ze oud en gammel als deze langzamerhand werden, gevaar opleverden voor de voorbijgangers, vooral bij stormachtig weer. Wie ze nog in ere houden, laten ze op tijd bij­schilderen en schoonmaken.
De meeste gapers werden van hout gemaakt; slechts enkele van gips of steen. Geen wonder, dat tal van exemplaren verdwenen zijn. Een unieke collectie, veertig tot vijftig stuks, authentieke gapers bevindt zich echter in het bezit van de heer A. J. M. van Os', de eigenaar van drogisterij A. J. van der
Pigge, Gierstraat 3, Haarlem. De oudste is plm. 150 jaar. De collectie omvat verschillende typen: muzelmannen met tulband, gouden kralen en oorbellen; gehelmde politieagenten met vervaarlijke snorren; manspersonen" verschillend uitgedost, bijv. een met vadermoorders; boeren en hellebaardiers. Er is ook een voorbeeld bij van een vroeger veel voorkomend genre: de nar met de rinkelende zotskap.

De hoofddeksels zijn trouwens bijna altijd opvallend, een potsierlijke hoed of een slaapmuts. Slechts zelden hebben ze een doek om het hoofd tegen de kies- of hoofdpijn. De heer Van Os noemt één van zijn gapers "Dante" en inderdaad vertoont deze kop enige gelijkenis met de grote dramaturg. Een ander exemplaar, een geelachtig, lijdend kopje, noemt hij "mijn oude heiligen beeldje". Wij zagen er slechts één vrouwelijke gaper: het ziekelijke gezicht in blauwe omslagdoek, een paar pillen op de tong. Er zijn ook gapers die op een pijp kaneel sabbelen.
In genoemde collectie vinden we ook nog een paar snuiten van de
zaagvis, voorts allerlei andere historische voorwerpen uit de drogisterij o.m. een kruidenkasten...... wandelstokken met gapers als handgreep.
In dit verband wijzen wij er op, dat de Historische Commissie van de Algemene Nederlandse Drogisten Bond bezig is, een museum voor de drogisterij op te richten. De heer J. Donkers te Leiden, secretaris van deze commissie, ontplooit hiervoor veel activiteit, hij heeft reeds 'een beperkte verzameling onder zijn beheer, o.m. oude pillenplanken, vijzels, mortieren, kruidentonnen, likkepotjes, koperen weegschalen, zakkendragers en verpakkingen van ouderwetse geneesmiddelen. Van zijn hand verscheen het intetessante boekje ,.Hier hangt de gaper" (uitgeverij' Bronsema's Drukkerij N.V., En­schede).

In diverse musea van ons land zijn nog gapers aanwezig. Tenslotte vermelden' dat in 1906 ter gelegenheid van een drogisterij tentoonstelling een zilveren gapertje als dasspeld werd vervaardigd.

Foto's uit de verzameling van A. J. M. van Os te Haarlem..