Badkamer

Een stortbad is een snelle efficiënte wijze om zich te wassen;
het warme water van het ligbad echter biedt de gelegenheid om zich langzaam schoon te laten weken, elke spier ontspannend.
Waarschijnlijk zijn de oude Grieken de "uitvinders' van het ligbad. In de overblijfselen van het paleis van Knossos op Kreta ( 1500 voor de onze jaartelling) zijn diverse badkamers aangetroffen. Maar van heerlijk languit in de badkuip relaxen was nog geen sprake. Grieken wasten zich namelijk bij voorkeur met koud water.
                                ~~~~~~Warm water vonden zij verwijfd~~~~~
De Romeinen hadden daar heel wat verfijndere zo men wil decadentere ideeën over. Zij ontwikkelden een ware badcultuur. De beroemde thermen - de "warme baden" - waren uitgerust met moderne vloerverwarming met stoombaden en vaak ook met koude, lauwe en hete waterbassins, massagekamers, wandelgalerijen en sportzalen. Er bestonden zelfs Romeinse badhuizen met een bibliotheek en ruimten voor opdrachten! Een hoogtepunt was het badhuis dat keizer Diocletianus liet bouwen in 302 en dat groot genoeg was om ruim drieduizend Romeinen tegelijkertijd een bad te laten nemen.
Met de verwoesting van het Romeinse Rijk verdween de badcultuur uit de West-Europese samenleving. De christelijke kerk had afkeer van de decadente baden. Alleen bij doop of huwelijksplechtigheid werd de reinigende werking van het water nog op Prijs gesteld. In het oosten van het voormalige rijk bleef de Romeinse badcultuur wel voortbestaan in de vorm van de beroemde Turkse baden. Vele eeuwen hebben voorouders hun neus opgetrokken voor het bad. De zestiende en zeventiende eeuw vormde een dieptepunt. Velen wasten zich liefst niet vaker dan eens in de paar maanden of zelfs slechts eenmaal per jaar. In de negentiende eeuw kreeg het bad weer enig eerherstel. Maar ook toen werd een koud hoger gewaardeerd dan een kuip warm water. Trouwens, warm water was ook een groot probleem. Voor een ligbad zijn heel wat ketels. kokend water nodig. Daarom waren toendertijd zuiniger badvormen gebruikelijk, zoals het zitbad en het stortbad.
Toen eind negentiende eeuw het warme ligbad steeds meer liefhebbers kreeg, werd naarstig gezocht naar methoden om het water te verwarmen. De Engelsen meenden de oplossing te hebben gevonden door onder het bad een gaskachel te plaatsen. De Fransen kwamen met een houtskoolkachel in het bad. Maar het beste idee was toch een geiser met aftappunten in het hele huis. Doordat een geiser onbeperkt warm water kan leveren, konden de badkuipen groter, dus comfortabeler worden. Zij waren daardoor niet langer verplaatsbaar.
Bovendien verbond een stelsel van buizen het bad met de geiser en met het riool voor de afvoer van het vuile water. Zo ontstond de badkamer. In de jaren twintig werden de eerste badkamers opgenomen in sociale woningbouw. Aanvankelijk was dat echter geen succes: ze werden vaak gebruikt als opslagruimte voor kolen of aardappels. De douche werd pas in de jaren vijftig in de Nederlandse volkshuisvesting geïntroduceerd. Rond 1960 was reeds een derde van alle huizen uitgerust met een douche of bad en een vijftal jaren later was dit reeds opgelopen tot 60%. In de rest van de woning kwam nog elke zaterdag de teil op de keukenvloer of men bezocht een openbaar badhuis. Tegenwoordig bedraagt het aantal huizen zonder badkamer nog slechts een paar procenten. Bijna alle badhuizen zijn gesloten.