Boerenleven in het jaar 1900 te Drentheaardappelen en pannekoeken,
moet je bij de boeren zoeken.Aan het gebruik van groenten doet de boer slechts weinig. Peulen en doperwten werden in vele gezinnen zelden of nimmer bereid, van sommige groenten kent men nauwelijks de naam, veel minder het gebruik.
De echte landbouwer houdt meer van 'een goed stuk in de linkerhaand', waarmee hij dan spek of vlees bedoeld. In dit opzicht toonden vooral de oude Drentenaren niet de minste neiging om vegetarier te worden.
Als teken van welstand gold vroeger en bij velen nog 'dat hij er goed van slacht'. Een vette koe en 'n vet varken per jaar werd een noodzakelijkheid geacht en een welvoorziene wieme was het beste pronkjuweel in het woonvertrek. Sommigen stelden er prijs op dat spek en vlees een hoge ouderdom kregen, van enkele boeren werdt verteld dat er in hun huis 'wel 'n wupkar vol slachterij hing van zes zeven jaar her.' Dat zij daarvan met smaak konden eten, getuigt niet van kieskeurigheid, en van een opvatting die het jongere geslacht niet met hen deelt.
Vooral het bezit van "schinken" (hammen) stelden zij op hoge prijs en wie er niet een of twee in voorraad had, werd als zorgeloos mens beschouwd, niet denkende aan de dag des doods, omdat bij de groeven (begravenis-maaltijd) ham behoorde.
Dienstknechten, de daglonerszonen die meestal van hun 15 de tot hun 25 ste jaar in dienst van een boer doorbrachten, waren goed op de hoogte van de toestand bij de verschillende boeren, wat de voorraad spek en en vlees betrof, en de boeren wier potten het vetste waren werden als de beste beschouwd, terwijl het een ongunstige indruk bij dienstvolk gaf, wanneer de boer veel land met aardappelen bepootte. Dagloners stelden het op hoge prijs te werken bij een boer waar het een "goed Kosthuis"was.
Wanneer het spek ter droging gehangen werd, dan werdt daaraan enige zorg besteed. Om dit het aanzien van dik te geven wordt het zodra het hangt, met een warm mes gedrukt of gestreken, om het krommen der zijden tegen te gaan, met houten priemen aan elkander bevestigd. Worsten werdenin daarvoor gemaakte kruishouten gehangen, in groepjes van vijf of zes stuks, waarbij die van gelijke grote bij elkaar, de kleinste naar boven aan de zoldering, de grootste beneden aan het kruis, opdat deze meer in het oog zouden vallen.uit; Drentse Volksalmanak 1906 pagina 41.