Muntendammerse Hondenkar venters
Het volkslied van Muntendam slaat meteen in de eerste regels de spijker op de kop. Muntendammers zijn een apart soort volk. Was eigenlijk, want die tijd ligt al weer ver in het verleden. Veel langs de weg, of langs het water; veel op stap, ventend met van alles en nog wat.
" Wie kent niet de proletaren
Met hun wagen en hun mand
Ventend met hun handelswaren
Door het noorden van ons land
Hoor daar klinkt het: Appelsienen
Nieuwe haring verse bot
Appels, peren, rooie wot ,werkers die zich dapper weren
Weer en wind kan hen niet deren
zie ze moedig op marcheren
‘s is het volk van Muntendam.Muntendam is een ander dorp dan de andere. Eigenlijk ook een veenkolonie maar dan wel op een uitloper van de Hondsrug en eeuwen omgeven door Dollard, moeras en heide. Net als elke veenkolonie ging ook Muntendam aan de snee, maar de bloei van Muntendam zat 'm niet in de turf, maar in de handel.
Weliswaar stond de eerste aardappelmeelfabriek van Oost-Groningen in Muntendam, maar de Amsterdammer Johannes Albertus Boon had vanaf de start in 1840 doorlopend te kampen met moeilijkheden. De machines die hij uit Parijs liet komen waren peperduur; de werklui niet altijd even bekwaam en het volk van Muntendam niet even eerlijk. Boon moest zelf de grondstof nauwlettend in de gaten houden tegen diefstal. Hoewel koning Willem 11 hoogstpersoonlijk de fabriek kwam bewonderen en hem financieel ondersteunde ging het bedrijf in 1852 over de kop. Boon overleed dat jaar en de erfgenamen verbouwden de fabriek ogenblikkelijk tot .woonhuis.
Nee, de Muntendammer zag meer brood in de handel. Voor dag en dauw trokken tientallen er op uit. Met de hondenkar, de fiets , de kruiwagen of gewoon lopend naar elke plek in Groningen en Drenthe. Beladen met sinasappelen, bokkingen, borstels, fruit, aardappelen en haringen Wie de luxe van een hondenkar bezat ventte het hele Noorden af. In die dagen kende Muntendam meer dan honderd hondenkarren. soms en, soms twee of meer honden liepen voor de gammele karren. Een soort poolslee op wielen door het veen. De lust tot zwerven ging zo ver dat menigeen dagen achteren wegbleef van huis en pas tegen het weekend weerom kwam. Ook met kruiwagens trok de Muntendammer in de verre Wereld in. Soms wel veertig kilometer per dag. Heel slim hadden sommigen hun kruiwagen verlengd met een plankje om nog meer waar mee te kunnen torsen. Er schijnt zelfs een venter geweest te zijn die zijn kar volgestouwd had met een mand sinasappelen, een vaatje met ~ 300 haring een drie manden bokkingen (6OO stuks). De venters haalden hun ,negotie'. af bij het station in Zuidbroek, waar grossiers hen elke dag aan nieuwe voorraden hielpen. In de namiddag maakten zij hun voorraden klaar om de volgende morgen vroeg te kunnen vertrekken. Wie ver weg wilde ging al om middernacht op pad. Geslapen werd er onderweg onder de blote sterrenhemel , in een boerenschuur of voor twaalf stuivers binnen bij iemand thuis. Die tijd was eens de crisis van de dertiger jaren trof ook Muntendam. De handel verpieterde en na de oorlog bood de industrie in Veendam meer werk en meer geld. Wie nu Muntendam bezoekt ziet weinig meer terug van die lust tot zwerven en die drang tot handel drijven.