Kastelijn \ Kasteelheer
De bijbel laat er geen misverstand over bestaan: elke Christen beeft de plicht om gastvrijheid te verlenen. Kloosters en kerken wijdden zich derhalve oprecht aan de werken der barmhartigheid door dorstigen te laven, hongerigen te spijzigen en vermoeide reizigers een bed aan te bieden. Ook de kasteelheer heette vreemdelingen welkom. Bepaalde vertrekken, soms zelfs aparte gebouwen, waren ingericht tot verblijf voor gasten. Deze gulheid leidde op den duur ertoe dat zoveel reizigers aanklopten bij de kastelein (letterlijk: kasteelbewoner), dat deze verklaarde wel goed maar niet gek te zijn. De kastelein, dat wil zeggen degene die de honneurs waarnam, ging een vergoeding vragen. Zo maakt het beroep kastelein zich los van het kasteel. Al snel openden zelfstandige kasteleinen een herberg in de om muurde stad, waar een veel aantrekkelijker klantenkring woonde.
De kloosters hebben zich sindsdien tot de opvang van geestelijken en pelgrims beperkt, hoewel men bij sommige nog wel in een bijgebouw tegen betaling Abdijbier of Trappist kon keuren. De nieuwe generatie kasteleinen, de kroegbazen dus, verloren met het afrekenen van de
consumpties hun maatschappelijke aanzien. Niet één is eerlijk, niet een is geliefd, bromde een middeleeuwse kroegloper. Menige horeca-faciliteit van toen verdroeg het daglicht niet. Ook de kerk was niet altijd gelukkig met de kroeg als overbuur. In 1593 liet men bijvoorbeeld te Leiden de organist niet alleen voor en na de mis, maar ook elke dag een uurtje spelen om mensen''temeer uit de herbergen en taveernen te houden''.De katholieke kerk was in dit opzicht meestal toleranter. De dom- en kloosterherbergen werden druk bezocht. Ook de stedelijke overheid mengde zich in dé concurrentiestrijd met raadskelders en stadsherbergen. Trouwens, de kasteleinen waren toch al erg populair bij het stadsbestuur, omdat de accijnzen op bier en wijn de stadskas spekten. In de kleinere plaatsen fungeerde de herberg bovendien als raadszaal en zelfs gerechtshof.
Deze band werd pas op 28 juni 1881 verbroken. Toen nam namelijk het parlement de eerste drankwet aan. De ''staatsbemoeiing met de hartstogten'' trachtte de openbare dronkenschap te beteugelen, baalde rechtbank en gemeentebestuur met wettelijk geweld uit de kroeg en
beperkte het aantal tapvergunningen. Voor de drankwet was een gehucht met zes a tien huizen al toereikend voor een kroegje, na 1881 had men voor een tapvergunning enige
honderden dorstigen nodig. Het dreigden harde tijden te
worden voor de kastelein, vooral toen een ridder van de blauwe knoop zijn welbekende "Ach Vader! Niet meer" affiches kwam aanplakken. Maar de kastelein heeft ook de afschaffers overleefd en staat nog fier en barmhartig achter zijn tapkast, waarboven hij eigenlijk een bordje zou moeten ~hangen met de Spreuk “my pub is my castle.”