Opzienbarend proces in Drente.
"Veroordeelt de schuldig verklaarde Hendrikje Geerts Meilofs Doelen, om gebragt te worden ter plaatse, alwaar men gewoon is binnen de stad Assen executie van criminele justitie te doen, en aldaar op een schavot met een strop aan een paal te worden geworgd, dat er de dood na volgt.
Verwijst haar in de kosten der procedure, ten behoeve van de Staat, begroot ter somma van twee honderd en acht gulden, zes en zeventig en een halve cent. Beveelt nog; dat een extract uit dit arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te Assen, mitsgaders in de gemeente De Wijk, ter plaatse, waar zulks te doen gebruikelijk is."Zo luidde het einde van het arrest van het Provinciaal Geregtshof van Drente, dat op 22 januari gewezen werd.
Hendrikje Geerts Meilofs Doelen, waarvan in dit vonnis sprake is, was in 1780 uit behoeftige ouders in de gemeente De Wijk geboren, en huwde in 1819 met Aaldert Roelofs Mulder, een oppassende maar arm dagloner. Uit dit huwelijk werden enige kinderen geboren; het leven van Hendrikje en Aaldert verliep zoals zovele arme dagloners in Drente, en niets wees erop, dat er zulk een dramatische wending zou komen aan hun bestaan.
Omstreeks 1827 werden beide echtelieden opgenomen in het Diaconie-armenhuis te De Wijk en leefden daar verder, in het genot van een vrije woning en in de latere jaren zelfs van een buitengewone stand. De verhouding van Hendrikje tot de overige ondersteunden was niet van de beste aard, ze leefde eigenlijk in voortdurende onmin met alle bewoners van het Armenhuis.
Het was in het jaar 1845, op een avond in april, dat Hendrikje op de deur van een zekere Van Buren, eveneens in het armenhuis wonende, klopte en hem vroeg even te willen komen kijken naar haar man, die ernstig ziek was. Van Buren hielp zoveel hij kon, maar reeds de volgende morgen was mulder overleden. De verslagenheid in het huis, maar ook in het dorp was groot, en dit nog temeer omdat dezelfde nacht ook overleden de oude "Nanne" zoals Jantje Wijchem alom genoemd werd !
Een vreselijk drama was begonnen. Er werd echter geen lijkschouwing gehouden, en er werden geen getuigen gehoord. Daartoe droegen onder meer bij de verklaringen van de geneesheer, die meedeelde, dat Aaldert Mulder aan een reeds lang bestaande kwaal was overleden, en Nanne een zwakke afgeleefde vrouw was. De lente en de zomer van 1845 verliepen rustig, en langzamerhand werdt dit voorval vergeten, totdat in de maand Oktober Grietje Donker, eveneens bewoonster van het armenhuis, onder zeer verdachte omstandigheden stierf.
Enkele dagen tevoren was zij in de kamer van Hendrikje gekomen, en deze had haar een viertal pannekoeken meegegeven. Zij had deze gedeeltelijk met haar dochtertje opgegeten, waarna de vrouw zeer ernstig ziek werd en binnen een week overleed. Het dochtertje werd eveneens ziek, en bleef klagen over pijnen. De inwoners van De Wijk fluisterden onder elkaar en spoedig werd het gerucht verspreid, dat Hendrikje ( 65 jaar ) deze misdaden had gepleegd. En zo stelde de burgemeester van De Wijk haar onder toezicht, zodat zij niet kon ontkomen.
Op 10 october 1845 begaf mr. D.H. Westra, rechter-commissaris, en substituut-griffier, mr. C.E. Oosting, geassisteerd door substituut officier van Justitie, mr. P. Hofstede zich naar de gemeente De Wijk, teneinde verdachte voorwerpen, die in de woning van Hendrikje mochten gevonden worden, in beslag te nemen, en de getuigen te horen, welke geacht werden enige inlichtingen te kunnen geven, om daarna na gelang de uitkomst zou zijn in het belang der Justitie te handelen.
De houding van Hendrikje gaf alle aanleiding om haar voorlopig aan te houden, en zij werd dan ook naar het huis van bewaring te Assen overgebracht. De lijken van Aaldert Mulder en van oude Nanne werden opgegraven, een breedvoerige conclusie werd dienaangaande opgesteld door de doktoren Verwer en Cohen, respectievelijk uit Meppel en Assen. Ook het dochtertje van Grietje werd aan een nader verhoor onderworpen. Dit meisje stierf enkele maanden later. Zodoende waren er dus vier schachtoffers gevallen.
Er waren aanwijzingen van vergiftiging gevonden; niet alleen de beide doktoren, maar ook scheikundigen hadden hun bezwarende rapporten uitgebracht, en wel op zulk een uitvoerige en minutieuze wijze, dat men respect dient te hebben zowel voor de opsporings-amtenaren, die de "stille getuigen" in beslag hadden genomen, als voor de mannen van de wetenschap, die, 120 jaar geleden, zulke rapporten opstelden !!
Op 12 januari 1847 was het eindelijk zover dat de openbare behandeling plaats kon vinden; de zaal was niet groot genoeg om alle nieuws-gierigen te bevatten !! Zowel toen als nu was de behandeling voor een causa celebre enorm groot. De acte van beschuldiging hield onder meer in, dat, Hendrikje in de spijs, door haar, op den zesden april 1845, aan haar man toegediend, arsenicum heeft vermengd, met de bedoeling, om hem van het leven te beroven; -- en dat zij, op den achtsten oktober daaraanvolgende, aan Grietje Everts Donker enige pannekoeken heeft ten geschenke gegeven, in welke alsmede door haar arsenicum gedaan was, om degenen, die deze gebruikten, te doden,; en door welk gebruik dan ook die vrouw, en haar dochtertje, Evertje genaamd, het leven hebben verloren.
Na het voorlezen van de acte werden niet minder dan twintig getuigen verhoord. Daarna werd het woord gegeven aan de beschuldigde, die enkele woorden stamelde, maar noch de vergiftigingen bekende, noch ontkende. Het Openbaar Ministerie requireerde, "dat de beschuldigde door dezen hove zal worden verklaard schuldig aan twee onderscheidene vergiftigingen; en ter dier zake bij het te wijzen arrest veroordeeld, om gebragt te worden ter plaatse, waar men gewoon is, binnen de stad Assen, executie van criminele Justitie te doen, en aldaar op een schavot, met den strop aan een paal te worden geworgd, dat er de dood na volgt."
De spanning in de zaal steeg ten top, toen mr. P. van der Veen, advokaat te Smilde, het woord kreeg, en zijn pleidooi uitsprak. Zijn uitvoerige pleitrede bevatte niet minder dan negentig bladzijden, waarbij hij uiteindelijk, zoals door een tijdgenoot wordt medegedeeld, tot de conclusie kwam dat Hendrikje Geerts onschuldig is. De pleiter werd warm toegejuicht, --- maar het hof was niet overtuigd, want tien dagen later werd in een vonnis van meer dan vijfentwintig pagina's Hendrikje Geerts Meilofs Doelen, weduwe van Aaldert Roelof Mulder, oud zesenzestig jaar, laatst wonende in de wijk, zonder beroep, ter dood veroordeeld, zoals in de eerste alinea vermeld.
Na het uitspreken van het vonnis hield de president van het Hof, mr. Gratema, een korte rede tot de ter dood veroordeelde, waarin hij haar erop aandrong toch eindelijk de vreselijke misdaden te bekennen. Dan alleen "is er vergeving van zonden te hopen".
De juridische zijde van dit proces was nog niet ten einde, want er werd cassatie bij de Hooge Raad aangetekend, welke echter werd verworpen "vermits de daadzaken, bij de aangevoerde middelen ontwikkeld, geen punt van overweging meer konden uitmaken." Daarop stelde de verdediger een verzoek tot gratie op aan den Koning, waarop uiteengezet werdt, dat de veroordeelde te veel haar leven teveel aan de zonde heeft gewijd, dat ze oprecht berouw heeft, en dat het "een der schoonste en benijdenswaardigste voorregten, aan de Koninklijke magt toegekend, ( is ) om onder den zegen van een Liefderijk Opperwezen, een mensch voor den eeuwigheid te mogen behouden." Maar ook in dit stuk bekent Hendrikje haar misdaad niet !! Zou zij toch onschuldig zijn ???? Zou er dan toch gesproken moeten worden van een Rechterlijke dwaling ???? Zij zelf heeft daar het antwoord op gegeven, toen zij enkele weken later aan de gevangenis-predikant een volledige bekentenis aflegde.Het behaagde Z.M. de Koning. "bij hoogst deszelfs besluit, gedagteekend 14 november 1847, no. 60, de straf des doods te verwisselen in die van te-pronk-stelling op het schavot, gedurende een half uur, met den strop om den hals aan de galg vast gemaakt, en tuchthuis straf voor den tijd van twintig jaren."
Op donderdag 2 december kondigde het gelui der klok aan, dat er te Assen een openbare strafoefening zou plaats vinden. Gedurende een half uur stond Hendrikje op het schavot te pronk. mr. Koetsveld van Ankeren officier van Justitie bij de rechtbank te Assen, die het gehele proces in een geschrift heeft vastgelegd, aan welk geschrift dit artikel is ontleend, deelt mede, dat een ontelbare menigte op de plaats van de strafoefening aanwezig was. "Welk een hartverscheurend toneel voor een rechtschapene, die het edel gevoel van onverbasterde menchenliefde, ----- --------------als de hoogste wet der natuur, ----------------------------------------------- zich de afschuwelijke wandaad van opzettelijke vergiftiging voor de geest stelt, en daarbij der zelve ontzettende, meestal onmisbare gevolgen, met mededogen en afgrijzen gade slaat."
mr. Koetsveld van Ankeren wijst er in het einde van zijn boekje op, dat deze te pronk stelling de gewichtige les inhoud van "Wie staat ziet toe dat hij niet valle", terwijl hij tenslotte schrijft. "gezegend echter het land, waar aldus het misdrijf gestraft, en het regt gehandhaafd wordt."In Nederland is vooral bekend het geval van "Leidse Mie", die in 1884 tot levenslange tuchthuisstraf werd veroordeeld; zij had 102 personen vergiftigd, waarvan er 27 stierven en 45 zwaar ziek werden. Daar was hebzucht de drijfveer, want Marie Swaneburg, zoals de Leidse vrouw heette, was het te doen om de gelden van de verzekering, welke zij gesloten had op het hoofd van de personen, die zij later vergiftigde.
Sinds 1861 werd geregeld gratie verleend aan ter dood veroordeelden, terwijl de formele afschaffing van de doodstraf volgde in 1870.