Speeltuin
Naar de speeltuin! Deze woorden brachten vele generaties kinderen tot uitbundige vreugde. Ook nu, in de vakantietijd geeft zoiets veel opwinding. Overal zijn tegenwoordig vrij toegankelijke speelgelegenheden. Dit lijkt heel vanzelfsprekend. Toch werd de allereerste openbare speeltuin - voorzover ik heb kunnen nagaan, pas op 7 mei l879 geopend.
De Amsterdamse industrieel Tetterode had daartoe het initiatief genomen. In de hoofdstad waren alleen particuliere speeltuinen, had hij vastgesteld, en deze waren voor de meeste kinderen veel te duur. Licht, lucht en lichaams beweging waren nog een voorrecht van rijkeluis kinderen en plattelands bewoners. Daar wilde Tetterode verandering in brengen doormiddel van een openbare "waar de kinderen van het volk een schat van pret hebben en die er prachtig toe zou kunnen bijdragen om het ellendig dobbelen op straat en ander ongezonde en onbeschaafde straatvermaken den kop in te drukken" In het Duitse Koblenz had de Amsterdammer ontdekt hoe zo'n openbare speeltuin eruit zou kunnen zien. Aldus liet hij in samenwerking met de gemeente en met de Vereniging van Veredeling van het Volksvermaak de eerste openbare speeltuin van ons land aanleggen.
Het succes was groot. Al snel kreeg het voorbeeld elders navolging. Ook het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap juicht het initiatief toe, want ,,in grote steden vindt men bij de lagere standen vaak te veel ruwheid, zodat zelfs de kinderen der burgerklassen bezwaarlijk
aan het spelen langs de openbare weg kunnen deelnemen"
De Amsterdamse socialist U.J. Klaren brak met dit paternalistische standpunt. Hij en de arbeidersbeweging vonden dat speeltuinen een zaak was van de ,,arbeidersouders'' zelf. Zo kon in 1902 de Oosterspeeltuin worden geopend, beheerd door ouders. U.J. Klaren verwierf er de bijnaam "vader van de speeltuinbeweging" mee. Bijna alle steden hebben op deze wijze in de afgelopen eeuw openbare speeltuinen gekregen. Nu worden ze vaak weer gesloten. De wens om werkmanskinderen te beschaven is uit het politieke gezichtsveld verdwenen. Tetterode kon in 1879 nog heel retorisch de vraagstellen: ,,Is onze straatjeugd werkelijk zoonbeschaafd, moet men ze dan in het wilde laten lopen, op jeugdige leeftijd naar de kroeg jagen en het verderfelijke dobbelspel aanmoedigen, of moet men trachten het werk der school te steunen door ze te leren wennen aan orde en gepast genot?" Maar anno 1996 liggen de zaken niet meer zo simpel meer.