Straatmuzikant of Flierefluiter

Zwervende speellieden trekken al vele eeuwen van plaats naar plaats. Met de wereldlijke en kerkelijke overheden hebben deze “verklede bedelaars" steeds op gespannen voet geleefd. Keizer Karel de Grote ontnam de speellieden het recht om een aanklacht in te dienen, geestelijken was het verboden om met hen gezien te worden en reeds in het jaar 554 ergerde zich de Merovingische koning Childerbert I aan de rondtrekkende dansmeisjes die zelfs op de erkende christelijke feestdagen met opzwepende muziek hun prikkelende dansen vertoonden voor het volk. Het straatvermaak bleef namelijk zelden beperkt tot zang alleen.
Vaak werd een complete voorstelling opgevoerd, met acrobatiek en danseressen. Wat ze zongen, weten we niet.
Niemand nam de moeite om hun muziek op te schrijven. Waarschijnlijk bestonden ook in de Middeleeuwen reeds populaire deuntjes. In de periode van de kerstening schijnt de kerk zelfs veel van deze volksliedjes te hebben overgenomen en de woorden te hebben vervangen door vrome teksten. Verder werd dit volksvermaak door de eerste missionarissen verboden en bestreden.
Het volkse straatvermaak heeft zich waarschijnlijk nauwelijks iets aangetrokken van kerkelijke verboden.
In de tweede helft van de Middeleeuwen vond zelfs een opleving plaats van de rondtrekkende volksmuziek. De interregionale handel leefde toen immers op en de muzikanten trokken met de handelaren mee, van stad naar stad. Hun aanzien was echter laag, de liedjesweinig verheffend, hun levenswandel ronduit losbandig. Als begeleidingsinstrumenten hadden ze meestal een doedelzak of draailier. Koperen instrumenten waren voor hen te duur. De trompet was zelfs een statussymbool, waarvan de adel zich graag bediende, sinds de vijftiende eeuw, ook de rijk geworden burgerij. 0mwille van hun prestige stelden steden toen zelfs stadstrompetters aan. De bedelende straatmuzikant nam genoegen met de goedkoopste instrumenten. Met de uitvinding van de boek veranderde het optreden van menig straatmuzikant. Hij liet zijn liedjes op velletjes papier drukken of in bundeltjes en probeerde deze na zijn optreden aan de man te brengen. Op dat moment krijgen we ook wat meer inzicht in de teksten en melodieën die toen te horen waren. Dat inzicht kreeg men toen ook in de hoogste kringen. Men schrok van de weinig verbloemende, vaak opruiende en ketterse inhoud.
Keizer Karel V besloot alle gedrukte liedjes te laten censureren. Zangers en drukkers mochten al te kritische noten niet langer verkopen. Dat deze ze natuurlijk toch, maar deze ongehoorzaamheid kon zwaar bestraft worden. In 1568 werd te Haarlem ene Heynsoon Adriaenszen zelfs opgehangen wegens het maken en verkopen van liedjes. 0ok de protestantse overheid verzette zich tegen het volksvermaak. De calvinistische predikanten hekelden zaken als ,,vleyslyckelieder'', ,,allerhande comédyen'', "dansen, onordelic byslapen en bancroetieren'' .

Populaire deuntjes bleven echter toch klinken. Vaak werden de psalmen voorzien van meer wereldse teksten. Straatzangers zongen vooral over gruwelijke moorden en ontroerende levensverhalen. Vaak droegen ze die voor op een schavot of kar, terwijl op een doek plaatjes werden aangewezen die de tekst illustreerden. Anderen pakten het veel bescheidener aan en beperken zich tot een hoed om het geld op te vangen. Dat is zo tot in het begin van onze eeuw gebleven. Met het uitsterven van de echte straatzangers ruim een halve eeuw geleden, ontstond een nieuwe belangstellig voor het volkslied. luidkeels gezongen met behulp van de welbekende bundels. Natuurlijk waren dit gekuiste versies. De kinderen hoefden immers niet te weten dat de originele versie van “Daar was laatst een meisje loos” eindigt met een baby-matroosje. De nieuwe generatie straatzangers laten zich in de keuze van hun repertoire meestal leiden door de bekende liedjes van radio en grammofoon. Sinds de Ramblers met ~,Wie is Loesje'' in de jaren dertig 70.000 platen verkochten, is de grammofoon en de radio de muzikale trendsetter. Dat merkt men ook op straat. Maar Soms hoor je toch plotseling een groepje straatmuzikanten uit een ver werelddeel, die met eenvoudige fluiten en trommels prettig klinkende volksdeuntjes uit eigen vaderland ten gehore brengen. Ze zijn er dus nog steeds, de echte flierefluiters.