Handboek over turfsteken.
Tractatus de Turffis ceu cespitibus Bituminosis (in het Nederlands : Verhandeling over turf ofwel pekhoudende plaggen) is de naam van een merkwaardig boek, dat de Groninger hoogleraar Martinus Schoock in 1658 heeft geschreven en dat wordt bewaard in het Gemeentearchief in Groningen. Dit boek wordt algemeen gezien als de eerste verhandeling over het ontstaan en de exploitatie van het hoogveen in de Noordelijke Nederlanden. Voor iedereen, die zich met verveningen bezighoudt, een onmisbaar handboek.
Behalve aan verklaringen van het woord turf zijn er ondermeer hoofdstukken gewijd aan het ontstaan van het veen, wie erover heeft geschreven en spreekwoorden over en de handel in turf. De - uit historisch oogpunt - interessantste hoofdstukken handelen over het voorbereidend werk, de gereedschappen die werden gebuikt bij de vervening, het eigenlijke turfsteken en het drogen van de turf. Het afgraven van de hoogvenen in het noorden van ons land werd al - op kleine schaal - in de oudheid gedaan. Tacitus (,, brandbare pollen'') en Plinius spraken er al over. In de middeleeuwen werden de hoogvenen door monniken afgegraven. Met de opkomst van de steden in de late middeleeuwen kwamen de noordelijke veengebieden meer en meer in de belangstelling en vanaf het einde van de zestiende Eeuw was er sprake van grootschaliger vervening. In Groningen nam de stad het initiatief, nadat de kloostergoederen dankzij de Reductie in 1594 in handen van de stad waren gekomen. Gorecht en 0ldambt kwamen aan snee, plaatsen als Sappermeer en Veendam konden zich ontwikkelen. Het is dus niet zo vreemd dat in het midden van de zeventiende eeuw iemand op het idee kwam om de Groninger activiteiten eens op een rijtje te zetten. In Drenthe speelde de landadel, gesteund door geld van Amsterdamse kooplieden, nog lange tijd de belangrijkste rol.
Uiteraard gebeurde het werk met de hand. Ten eerste werd de braakliggende grond - door Schoock vergeleken met "een barende vrouw die, wanneer zij toevallig ziek geworden is, door een arts voorzichtig benaderd wordt tijdens het medisch onderzoek, omdat hij ervan uitgaat dat het lichaam door weeën is uitgeput en waarbij de weerstand in velerlei opzichten is gebroken'' afgewaterd.
Kleine slootjes (raden) werden gegraven, waarna grotere (gruppen) konden worden gegraven om het overtollige water af te voeren.Vervolgens kon met het eigenlijke werk worden begonnen. Vanaf eind april kwamen de veenarbeiders - vooral uit Westfalen en het graafschap Oldenburg - naar Groningen. Ze werden door de veenmeester, een pachter van de stad, in ploegen van vijf verdeeld. De sticker kliefde met een stuk gereedschap met dezelfde naam de aarde en verdeelde het in blokken, die door de graver met een spade werd losgewrikt. Deze gaf ze door aan de kaersetter, die de natte turven met viertande vorcke of kaarsettersvorcke op een (turf-kare) legde.De kruyer die de kruiwagen duwde, voerde vervolgens de turven af om ze tijdelijk - op hun kant - te drogen te leggen op het zetveld. De vijfde man van de ploeg, de buncker, gooide tenslotte de in eerste instantie verwijderde bovenste veenlaag - de bo kaarde of grauwe turffen - met zijn bunck-leppe terug in de groeve. "Het land kan dienen zowel voor het onderhoud van vee als van de mensen'', , schreef Schoock. Naderhand werd de bonkaarde vermengd met de ondergrond. Wanneer de turven zo droog waren dat alle kanten een korst omheenzat, werden zij door de veen-luyden (nu ook vrouwen en kinderen) apart gelegd om verder- door zon en wind gedroogd te worden. Als het zover Was, werden ze opgestapeld tot cloten of vueren. Elke stapel, of een paar bij elkaar, vormden het werk van een dag: een dach-werck. Per schip werden de turven tenslotte afgevoerd naar de stad Groningen om daar gebruikt te worden als brandstof of om verder te worden verhandeld. Alles was in de vorm van plakkaten en ordonnantieen geregeld. De stad had niet voor niets de feitelijke macht in Gorecht en Oldambt en kon dus de regels vast stellen voor het verveningsproces, inclusief het vervoer van de turf.