Vaatwerk
In sommige gezinnen is de afwas een gezellige gelegenheid om de tafel conversatie nog wat voort te zetten onder het wassen en drogen van het vaatwerk. Maar in de meeste gezinnen is het schrobben van aangekoekte pannen een huishoudelijke last die steeds opnieuw moet worden volbracht. Is dat eigenlijk altijd zo geweest? Vandaag krijgt u het antwoord: neen, de vaat is niet altijd zo'n enorm karwei geweest. Wanneer we de eetgewoonten van de Middeleeuwen bestuderen, dan zien we allereerst dat de mensen toen ontzettend veel aten, maar ook minder vaak. Dat scheelde in ieder geval al in de afwas. Tenzij men een feestmaal aanrichtte, bestond een maaltijd uit soep, pap en bier of karnemelk. De soeppan hoefde nooit te worden gereinigd want dit was zo'n grote zwarte ketel, hangend boven het vuur, waar slechts geregeld nieuwe groenten en water aan hoefden te worden toegevoegd. De aardappel ontbrak tot de achttiende eeuw op de gewone tafel en het eten van rauwkost gold als ongezond. Het bestek bestond dus alleen uit een lepel voor de soep en de pap. Vlees werd - vanzelfsprekend - met de handen gegeten. De botten konden op de stenen vloer worden gegooid. Er liepen altijd wel wat honden rond die keurig alle restjes opruimden. Borden waren feitelijk overbodig. Een houten tafelblad met ronde uithollingen voldeed net zo goed. Na het eten werd zo’n tafelblad schoongeveegd en tegen de muur gehangen ( in het Duits kent men nog steeds de uitdrukking die tafel/ den Tisch aufheben.
Alleen bij een bijzondere maaltijd werden borden, gemaakt van rogge, geserveerd. Tijdens een feestmaal, eind vijftiende eeuw, van Karel de Stoute kregen de gasten elk een stapeltje van vijf roggeborden. Natuurlijk kon men het bord opeten, maar meestal werden de vuile borden aan het vee gevoerd of werden ze op de stoep gezet voor de armen...Inde zeventiende en achttiende eeuw raakten de tafels langzaam maar zeker vertrouwd met porselein en bestek. Althans bij welgestelde families. En aanvankelijk was het nog gebruikelijk dat iedereen zijn eigen bestek had, opgehangen in een etui aan zijn riem. Vooral de Franse keuken heeft er voor gezorgd dat de tafels volgeladen werden met allerlei soorten bestek, borden, glazen en sierpotten. In de keuken stapelde het vaatwerk zich op. Zolang daar dienstboden alles keurig wegwerkten, was er géen probleem. Maar het personeel werd duurder. En de steeds hogere stapels vaatwerk een democratisch goed.
Een Amerikaan huisvrouw, mrs. Cockran, vond eind vorige eeuw een afwasapparaat uit: een houten tobbe waarin het vaatwerk moest worden geplaatst. Een paar emmers warm water erbij en dan draaien aan een slinger. Het water werd rond gestuwd door zuigers. Wat later werd dit slingeren door de machine gedaan, waardoor een vaat wasautomaat ontstond. Na de tweede wereldoorlog werden dergelijke machines ook in ons land geïntroduceerd. Mede door de kosten de vaatwasautomaat gebruikt bijvoorbeeld al gauw -35 a 65 liter water- is de afwasmachine nooit een groot Succes geworden. Met deze machine kan een mens nog, steeds concurreren! En dus staan we elke dag weer, fluitend of morrend, met borsteltje en droogdoek gereed.