Velosepede / Viets / Fiets
Drenthe is een fietsprovincie bij uitstek. Denk maar aan de Fietsvierdaagse. Ook alle andere gewesten van Nederland zou men zo kunnen noemen. Het rijwiel is in Groningen even populair als in Utrecht, Holland, Zeeland, Limburg of, Overijssel. Want wat doen we niet allemaal per fiets. Het rijwiel is voor ons wat de ezel is voor de Spanjaard.
Toch is de fiets kennelijk nog niet volmaakt. We blijven er aan peuteren. Onlangs moesten we opnieuw enige stukjes plastic aan onze fietsen toevoegen. Wielreflectoren ditmaal. Blijkbaar is het nationale vervoermiddel nog steeds voor verbetering vatbaar, hoewel het toch al zoveel generaties geduurd heeft voordat we eindelijk zo ver waren. Experimenten waarbij de mens zichzelf voortbeweegt op wielen, vonden reeds in de late Middeleeuwen plaats. Midden zeventiende eeuw had Stefan Farfler zowaar enig succes met een soort trapautootje op handkracht. De grote doorbraak kwam echter pas rond 1814, toen Feriherr Van Drais de snelloopmachine uitvond. Zijn draisine bestond uit twee wielen plus een zadel. Trappers kreeg het ding pas in 1853, van ene Macmillan. Deze trappers waren echter op het achterwiel bevestigd. Heel onpraktisch. De geniale Michaux verplaatste de pedalen naar het voorwiel en introduceerde op de wereldtentoonstelling te Parijs in 1867 een echte vélocipède. Zo kreeg de machine die zijn bezitter 'snelle voet' geeft, in Europees verband stukje bij beetje vorm.
In 1871 verscheen het eerste stalen exemplaar. Daarna gingen ook de Amerikanen zich er mee bemoeien. Goodyear gaf het voertuig rubberen banden en er werd een ketting aan toegevoegd. Vervolgens kreeg Engeland de primeur van de eerste, volwaardige bicycle, tweewieler dus. In 1878 werd het trappen aanzienlijk veraangenaamd door kogellagers en in 1884 werd eindelijk het hoge, levensgevaarlijke model vervangen door het moderne, lage model. Vijf jaar later schonk Dunlop het stalen ros luchtbanden. De loopmachine bleef voorlopig speelgoed voor de betere kringen. Europese vorsten, presidenten, geleerden en beroemdheden gaven het voorbeeld. De welgestelde wielrijders verenigden zich in deftige clubs, lieten speciale kleding ervoor ontwerpen en het gebeurde steeds vaker dat ook een sportieve dame van stand, het stalen ros besteeg, maar daar had de kerk aanvankelijk grote bezwaren tegen. Het zal niemand verbazen dat in Nederland dit kostbare bezit in keurig Frans werd aangeduid. In Frankrijk en ook in België werd het afgekort tot velo, maar hier bleef men spreken over de vélocipède. De volksmond verbasterde dit al snel tot fiets. Mathijs de Vries heeft nog getracht deze taalkundige dwaling recht te wieleren (door fietsen) te introduceren, maar dit sloeg niet aan. De stadhuistaal spreekt wel van rijwiel, wielrijden en wielersport. Maar wij, gewone mensen, zijn de loopmachine met fiets blijven aanduiden, zodat een vleugje Franse exclusiviteit aan ons alledaagse vervoermiddel is blijven hangen.