Bijgeloof, Volksgewoonten bij Zwangerschap Baring en het Kraambed

 

Kraamzuivering

Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden was, mij zeide: Van al dat ouderwetsche doe ik niet mee, maar mijn haren kammen, dat durf ik niet. En omdat het zoo viezig wordt en er zoo onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine op. Maar vies is het wel, mijn krulspelden roesten er in." Al dat ouderwetsche !!


Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het vervuilde lijfgoed tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet ver verwijderde tijden en gewoonten. Mijn patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloeduitstorting. Anderen verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons Vaderland?? Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den buik slaan.


Tot welken toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel en verloskundige te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. Eene vrouw die ik in bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost, zei hij, bezocht ik den 8sten dag daarna. De patiënte woonde 2 uren afstands van zijnen woonplaats. Zij was in dien tussentijd onder behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eene Med. Doktor, die haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de walgelijkste stank te gemoed; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien tijd ontlastte urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen ongehoorden toestand en dat zij een nietig vrouwtje was, is alles zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en voorspoedig gekraamd en leefd nog.
Tot zoover zijn verhaal.

Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn.

De gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en dranken in de darmen, en komen door de aderen in de -verschillende stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaamworden overgebracht. Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en pisweg.
Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of is de nieuwe vloeistof. in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft dat kwade gevolgen.
Het achterblijven van de kraam zuivering heeft dus, daar de uitscheiding voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte gevolgen.
Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den baarmoedermond. .
Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a.
teweeggebracht wordt door koude, dan komén wij reeds eeniger
mate tot eene verklaring van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie.
Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leèrt omtrent den oorsprong van het zog.
Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de borsten eene geheel lijdelijke rol.
Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij, beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op.
Die melk komt daarin door druk van de zwangere baarmoeder.
Door dien druk wordt het meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen, voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze opzwellen.
De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar bereiden die niet.
Dit kan ook gebeuren bij niet zwangeren.
Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet zwangere vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd.
Die opvatting wordt gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de Yajur- Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt.
Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten, gemakkelijk ingang vond.
Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden zakken van de melk.
In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet aan de moederborst wilde leggen, vóórdat de kraamvrouw gewaterd had, omdat - zooals zij zeide - het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit geval de urine, mogelijk moest geacht worden.
Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de
jongeren, zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek aan kennis van eigen lichaám en de verrichtingen daarvan, dat wij ook nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij 20st eeeuwers trotsch zijn.
- Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig weenen?
De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land en daarbuiten nog ten huidigen dage

zouden kunnen neergeschreven worden. Zoo zègt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van vet gedurende- de zwangerschap.
- En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg.
Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur- Veda wordt reeds gezegd, dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder letsel kreeg, dezelfde werking vertoont.
Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of wortelen schraapt, of iets kookt,dat spat, wist de baker mij dadelijk te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een harer kinderen had waargenomen. Maar ongelovig schudde zij het hoofd, toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór "de negen dagen" de nagels te knippen, omdat eene vloeiing of storting daarvan het gevolg kon zijn.
Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken: Ik bedoel het verzien der zwangeren.

 

Welke de invloed zijn kanvan voortdurende prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet met een enkel woord uit te maken.
Evenmin kan men steeds een afdoend antwoord geven op vragen, die ons, -naar aanleiding van - naar het heet - met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden.
- Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog. Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het "Houwelijck" van Jacob Cats.

"Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten,
Dat niemant door het huys misschien en kome setten
Vet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt
Dat ons het 'ooge terght, en soo de sinnen steelt.
Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken,
Of met een snellen schriek ons in de leden trecken,
En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept,
En van de reyne trou de soete vruchten raept.
wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen
Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen:
En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont
Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont.
'T is. bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken,
Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken :
Hoe onverwachte schriek tot aen de vrucht belent,
En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent.
Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten
Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten;
Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest,
Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest.
De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren
Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren,
Om even als het schaep zou, paren metten ram,
De plecken van het hout te drucken in het lam.
Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen,
Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen:
Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt,
Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt.
Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer
Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer.
Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden,
Wiens man haer niet en-weeck in onbeschofte leden,
Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant,
Een peerel van de stad, en wonder in het lant.
Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen,
En namen in den a'rm, of met den vinger wezen,
Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret,
En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet:
Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden,
En sagh de schoone verw, onseker van de reden;
Dies gincker over-al een spreucke door de stadt,
Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt.
Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen
Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen.
Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet
Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset.
Hij vont een ledekant behangen met gordijnen,
Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen::
Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan!
En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen.
Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen,
Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen.
De meyt die 11?opter om soo veerdigh als se kan,
Enbrenghtet in de sael, en geeftet aen den man..
Die gaettet metier daet omtrent de beelden setten,
Die maent een ieder aen hier op te willen letten:
En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck,
En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck.
Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen,
Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen:
En hoe een diep gepeys, door onbekende macht,
Het ingenomen heelt kan prenten in de dracht.
Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen,
De vrou heeft metier daet haer eere weer gekregen:
En waer doen eenigh paer te samen wert geset,
Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt."


Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling
gedaan omtrent het verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een jongen, die over het geheele lichaam , behaard - was, welke buitengewone haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder inwerkend en prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam. 's Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel koelen, doch het dier, al even . weinig op een dracht slagen belust als de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had.

Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal mededeel en, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn langzamerhand als gemeen goed oyergegaan in het denken der volken, en waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of gehéel verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel gebleven.
Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig- Veda ( omstreeks 1500 jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur- Veda, welke van lateren datum is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere geneeskunde. Zeer zorgvuldig zijn b.v. 'in de Yájur-Veda de voorschriften over de gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde) vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding, overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader cats in dichtvorm neergeschreven zagen.

Wel is waar wordt in de Yajur- Veda niet gesproken over het verzien der zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke, wanstaltige voorwerpen aan te raken.


Volgens Fëissbender wordt hierover door de' Hippocratische geneesheeren niet gesproken.
Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen voortzetten.
Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en bijgeloof grenzen, of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal schijnt het vreemde meer eene meèning, eenmaal uit ervaring opgedaan, bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd.
Zeker is het, dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat samenhangt met 's menschen intrede in de wereld; meeningen, welke moeten dienen om het geheimzinnige ,en onbekende te verklaren, terwijl het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel, als 't kan, nog geheimzinniger maken.
Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed, welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede geesten, die zich het lot dier, bedreigde vrouwen aantrekken.

Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren. Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht. Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog.
Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen of met medewerking van heiligen.
De toevlucht tof die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting der godheid.
Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zoo als die b.v. bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here Juno) en Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia,de Juno der baring, is Lucina de licht en vooral leven brengende godin der Romeinen. Haar ter eere werd op den lsten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om een tafrijke kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen. In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal, waarin een kind ligt; of wel- zij houdt die hand uitgestrekt, als 't ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende.
Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de andere hand.

De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling.
Dat herinnert ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in-de handen, waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in hèt geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken.
In jordan's Edda komt een lied voor, Oddrun's klacht (Od. drûnargratr) geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun voldoet aan dat verzoek.

"Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee
Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun
Wirksame Weisen, gewaltige Weisen
Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.
Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoördt :
"Fuhrwahr nicht die weil du dessen wurdig
Neigt' ich mich nieder, aus Not dir zu helfen ;
Nur mein Geiebde hab 'ich geleistet,
Das ich anderwärts aussprach ; allerorten
Beistand zu bieten (gebärenden Frauen),
Als hier das Erbe die edlinge teilten." .

Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de Hera der geboorte (de Romeinsche juno)..


De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs offerden de vrouwenharen gordel aan Artemis, alsook de eerste kleedingstukken harer kinderen.
Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar op godsdienstig gebied inneemt, waardoor, de grens, welke tusschen geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt.
In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan 's nachts door oudere vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij 's morgens in een daarvoor opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water, bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men het afbeeldsel van een man, op de andere dat een er vrouw gemaakt, de personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een smal, zonder naad geweven. kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert. Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de" vrouw naar huis gebracht en volgen feestelijkheden dit gebeurt bij de eerste zwangerschap.

In de volgende maanden worden dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot het kind ter wereld gekomen is.
Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt! door de afbeelding op de kokosnoten, is dus overal te vinden.
Daaraan hechtten ook de vrouwen in Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus, Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd.

Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest weI zijn stempel drukken op het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om eene wereld omwenteling te maken.
Maar genoeg hiervan.
Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene godsdienstige handeling denken.

Voelt eene vrouw op de Seranglao- en Gorong-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koràn te bidden, welke luidt: "In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem gelijk." ' Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der baarmoeder, hangen.
Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de japansche vrouwen om, kort voor de baring, een stukje papier in tè slikken, wàarop de schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene gemakkelijke bevalling te verkrijgen.
Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere vrouwen in den johannisnacht, bij het Baalsfeestof het Balderfeest, met hetzelfde doel door een vuur liepen.

Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin van het kraambed).
Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in den omtrek van Szeged, b.v. in Szöregh, gedurende zeven dagen.
De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de richting van de maan, en zegt:

"Heilige moeder Gods,
Sta mij bij in den nood;
Bescherm de vrucht mijns lichaams,
Opdat zij groeie als de maan."

Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls het gelaat besmeren.
Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en sympathetische middelen.
Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij 's avonds, als het regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den Walao-Iati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig haar zou krijgen, dat ruwen kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten tijd leven. Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze geesten de vrucht niet kwellen.

In Rusland is het geloof aan den "boozen blik" zeer verbreid.
Maar vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet.
Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting. Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën, korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz.
Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en ligging van het kind?
Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken.
Daarom mogen op vele plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen (omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling. Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet spint of haspelt?

In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou, daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van het kind bestaat.
In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzefde zal geschieden, als zij op een watervat gaat zitten.
Welk verschil bestaat er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat, door een bamboe of in een fIesch-mag zien, en de Servische vrouw, die niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn?
In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de nabijheid eener druppende dakgoot watert.
In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen, wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vàllende ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan.
Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm. Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken, geen linnen bleeken, geen hout hakken.
Bekend is het, dat, oók in ons land, de meening heerscht, dat eene vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz, zou optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt. Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is. Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel, als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt

Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten, omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten, waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met den buik tegen kachel of fornuis te leunen.
Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit, en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de' kinderen of zouden ontbreken of wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze verbranden, andërs zal het kind zachte beenderen krijgen.
Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de ooren te leggen. "Raad uit hoogen stand !" voegt hij hieraan toe. Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd, dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid geplaagd werden en met recht "vuil" genoemd kunnen worden.

De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v.
in Indië met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli's Max Havelaar vinden wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien, vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. "Hij legde zijn vinger in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh's moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje." . Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van java, staat niet zoo vet af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde (Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen in de Edda) tot Siegtried:

"Urn Wunden warten und heil en zu wissen
Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen.
In. die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner
Ruten Rinde Ieme sie ritsen",

wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht?

De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur- Veda bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden, omdat anders de kinderen- met lichaamsgebreken zouden geboren worden. Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de ontwikkeling van het kind, twee harten inzich draagt. In een leerboek over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht" onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer prikkelbaar is.

Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde) berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel.
Daardoor treedt zoowel weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven.
Maar hiermede zouden wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze bedoeling niet is.
In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam te bijten. De schrijver voegt daarbij:

"Het is een zeer gemeyne saecke, dat sommige lust hebben om t' eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder aen 't lichaam krijget."
" Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan dagelijks handen vol gebruikte. joh. van Beverwijck (1664), zou het haar ten strengste verboden hebben, immers zegt hij in zijne Wercken der Genees-konste: "Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in 't sevende boeck van de Historye der Dieren op 't vijfde Capittel, als de selvige te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren." Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders. Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt men ook eene onbewust aanwending van de Prochownick'sche dieet-kuur. Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of gebruiken slechts ongezouten magere spijzen.

Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht .., het kind, waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg van waarnemingen te zijn.
Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken, dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangere", die vlekken in 't gelaat hebben, een meisje,' die eene goede gelaatskleur behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een meisje juist andersom.
Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was o.a. de 'volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren uitgegoten. stolt het zog, dan zal een jongen geboren - worden, als het wegvloeit een meisje.
Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes (menigvuldiger) in de linkerzijde.
Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op het geslacht van het kind. Uitgaande van de voooronderstelling, dat de rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk afsnoeren of in de hoogte houden.

In het algëmeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intrede der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het tegenovergestelde geval van meisjes.
Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de àndere juist de linkerzijdeligging genomen.
Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontataan zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus 300 j. v. Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als vrouwelijke testikels.
In een boekje getiteld Siphra en Pua onderwijzing in de vroedkunde enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar 1753 lezen wij: "Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur, en roode vlakken in het aangezigt heeft, en er dus ontstoken uitziet, vrolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij van een zoon bezwangerd is ; daarentegen als zij 'er bleek uitziet, vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger gaat." In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: "De Vrouwen die een Sone dragen, zijn veel dunder; ende aen de rechter kaecke wel geverwet, ende niet soo bleeck," Nog wordt daar gemeld : "Als nu de vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge, De rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel van dese verandert eer dan van de slincker borst." Dit is ontleend aan Hippocrates, Volgens hem is de borst aan de zijde waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en helderder, "De vrouwe krijget oock 'veel eer melck, ende als men dat in een glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t' samen gelijck een rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh Peeriken, Als men sukken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe, vallet terstont te gronde ; als men sout daerbij doet soo en schey dat hem niet." Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet ik niet, Maar als wij lezen van eene vrouw,-die van een jongen zwanger is : "Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel" en "Maer sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget, altijdts in 't gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter slincker handt," dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der ongeboren vrucht.

Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande, wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht,het kind heeft.
Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij hèt opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met dê linkerhand. een meisje. In 1833, werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van een meisje voorspelt.
Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie alweer Hippocrales), is ook de meening, dat de dracht van een jongen veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen.
In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van een jongen wordt geloofd als de punt, aart de geboorte van een meisje als het oog van de naald roestig is.

Daar heerscht ook dezelfde meening omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den bijslaap luid gelachen heeft.
Volbracht zij dienechtelijken plicht zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want "ernst is het sieraad van den man". Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meirte, en de schrijver van het Boeck van de Vroel-wijfs is het met hem eens: "Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van. de beenen en de gemachte."

Niet alleen in den ouden, maar ook in de nieweren tijd hebben de geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken, waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijken verklaring zou vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat daaromtrent geschreven 'is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy, mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert. Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier uitstrekken.
De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden.
Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht, zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou.
De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische invloeden in zijn boek: "Die geburtslehre von Seiten der Wissenschaft und Kunst dargestellt" (1847), bI. 155:
"Dat kosmetischè verhoudingen op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen is zeker, maar; weinig bekend is het specieele.
lntusschen kän tóch het volgende gezegd worden:
1) In 't algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende "maan, meer meisjes bij volle' en afnemende maan geconcipieerd, en .
7) de meeste concepties vallen in het einde van de lente

=======================

234


 

 

 

Untitled